De Vlas- & Textielroute
De Wevers, de Watermolens en het Dordtse Kapitaal
Wat de ene familietak won uit de aarde, werd door de andere tak verwerkt. Na de verwoestende Sint-Elisabethsvloed van 1421 trokken de uitwaaiende broers naar de overblijfselen van de Hoeksche Waard. Hier begonnen zij aan een gigantisch epos van bedijken en inpolderen. Op deze pas gewonnen, vruchtbare kleigrond bloeide de vlascultuur op. Dit ruwe vlas vormde de directe brandstof voor de weefgetouwen en textielpioniers van de takken Jannink en Hermes in Rheine en Enschede.Deze enorme landschapsprojecten en de bouw van de watermolens (zoals op de Schöppinger Berg langs de Leerbach) werden aangedreven door Dordts kapitaal. Familieleden bekleedden invloedrijke posities binnen De Munt van Holland te Dordrecht, het financiële hart van het gewest. Als muntofficials en bouwmeesters stonden zij aan de basis van de goud- en zilverstroom. De cirkel was rond: het geld uit de Dordtse Munt financierde de polders in de Hoeksche Waard, het vlas ging naar de wevers in Twente, en de oude gidsnamen – Wenceslaus, Conrad, Damas, Melis en Jacobus – wezen door de eeuwen heen de weg.